Een fluit is leeg van binnen
Er is het verhaal van Krishna en zijn vrouwelijk evenbeeld Radha. Op een dag vroeg Radha hoe het toch mogelijk was dat een stuk hout de grote eer te beurt viel om de adem van Krishna om te zetten in de klanken van een fluit. Krishna keek haar aan en met een zweem van een glimlach op zijn gezicht antwoordde hij: “leegmaken”. En zo is het ook, want een fluit is in feite een holle (houten) pijp waar al het binnenwerk is uitgehaald. In de pijp zelf zijn enige gaten geboord waardoor de lucht die door de pijp wordt geblazen tot leven komt.
De symboliek van dit antwoord is dat wie heel dicht bij de Heer wil komen zich van binnen leeg zal moeten maken om de levensadem van de Heer door heel zijn systeem heen mee te laten vibreren zodat die adem in een betoverende klank hoorbaar naar buiten treedt. Dit leeg worden is hetzelfde als het persoonlijke op te laten gaan in het universele zodat er geen ‘privé-wereld’ overblijft. Deze mens krijgt een universele uitstraling. Jezus zei tegen een rijke jongeling hetzelfde. De jongen vroeg de meester ‘wat de juiste weg is om het eeuwige leven te hebben”[1]? Allereerst geeft Jezus het standaard antwoord van de Joodse traditie en dat is dat hij zich aan de ‘geboden’ moet houden. Maar de jongen was niet tevreden met dat antwoord en vroeg door. En Jezus antwoordde: ‘als je als mens compleet wilt zijn, ga dan heen, verkoop je bezit en geef de opbrengst aan de armen, dan zul je een schat hebben in de hemel. Kom dan terug en volg mij’. Dit is de radicale, compromisloze vorm van leegmaken die is voorbehouden aan de bedelmonnik of de sannyasin in de Vedische traditie. Deze vorm van leegmaken is een hoge sport op de ladder van menselijke ontwikkeling. Wie dit werkelijk doet, van binnenuit en niet als formeel vereiste, is rijp om de binnenste cirkel van de mensheid binnen te gaan en wordt ‘een kenner van het Zelf’. Zelfkennis en geen (geestelijke) bagage meetorsen zijn onontbeerlijk voor wie dichtbij het Zelf wil komen om er uiteindelijk geheel in op te gaan.
Paul van Oyen
[1] Mt XX,16-29